Eén op de zes grootouders heeft het gevoel dat de andere opa en oma een beter contact hebben met de kleinkinderen. Meer dan de helft van deze grootouders lijdt daar onder.
Lekker zwieren aan het strand van Domburg met opa en oma. FOTO JACQUELINE DE HAASDat blijkt uit een studie van Motivaction onder vierhonderd opa’s en oma’s in opdracht van Plus Magazine, maandblad voor vijftigplussers.
De helft van de grootouders ergert zich eraan dat ‘de anderen’ dichter in de buurt wonen of de kleinkinderen vaker zien. Grote of dure cadeaus van rijkere opa’s en oma’s zijn ook een bron van irritatie. Eén opa biecht op: ,,De andere grootouders smijten met geld. Als dit zo doorgaat ben ik bang dat we over een paar jaar twee zeer verwende jongens krijgen.’’ Een oma zegt: ,,Iedere feestdag is het raak. Dan zwaait ze met een zak snoep om onze kleindochter te lokken. En daarna laat ze haar niet meer los.’’ Uit het onderzoek blijkt dat oma’s meer lijden onder de rivaliteit dan opa’s.
Ontwikkelingspsychologe Nelleke Rögels vermoedt dat het percentage grootouders dat met elkaar wedijvert nog groter is. ,,Maar dat zullen ze niet snel toegeven. Voor de omgang met het kleinkind ben je afhankelijk van het eigen kind en de schoonzoon of -dochter. Iets ervan zeggen kan worden opgevat als kritiek, zodat de omgang met de kleinkinderen nog moeilijker wordt.’’