Pages: [1]   Go Down
  Reply  |  Print  
Author Topic: Woordenboek Surinaams geeft voorrang aan spreektaal  (Read 6337 times)
Myworld
MamjoRuler
*****
Offline Offline

Posts: 3122


« on: 19-03-2009, 09:57:01 - GMT-1 »
Reply with quoteQuote

Het Surinaams Nederlands is een volle zuster van het ABN, maar het heeft een heel eigen woordenschat. Renata de Bies stelde een woordenboek samen op basis van de spreektaal.

Door onze redacteuren Hans Buddingh’ en Derk Walters

Den Haag, 17 maart. Dat de Surinaamse keuken de als groente gegeten vruchten antruwa en sopropo heeft opgeleverd, is inmiddels bij steeds meer Nederlanders bekend. Maar wat is een tanpokojantje? En hoe gebruiken Surinamers het woord zetten?

Voor een antwoord op die vragen is er het Woordenboek Surinaams Nederlands van Renata de Bies. Het boek, dat vorig jaar in Suriname verscheen en deze maand – met steun van de Nederlandse Taalunie – ook in Nederland is uitgebracht, bevat een inleiding over ontstaansgeschiedenis en kenmerken van het Surinaams Nederlands. De meeste van de 205 pagina’s zijn gewijd aan lemma’s over Surinaams-Nederlandse woorden en uitdrukkingen. Door de gedetailleerde uitleg heeft het boek iets weg van een kleine encyclopedie.

Ook door de nadruk op spreektaal onderscheidt het boek zich van het in 1989 verschenen Woordenboek van het Surinaams Nederlands van Jan van Donselaar. De Bies, docente aan de Anton de Kom Universiteit te Paramaribo, luisterde naar wat er om haar heen werd gezegd. „Ik maakte een boottocht op de Surinamerivier in Paramaribo. Ik hoorde twee vrouwen met elkaar praten. In nog geen vijf minuten hoorde ik hen tien keer meisje tegen elkaar zeggen.” Dat bevestigde De Bies in de opvatting dat vrouwen het woord meisje onder elkaar gebruiken als aandachtssignaal. Als een vrouw een roddel vertelt, kan een ander reageren met een langgerekt meiiiiisje, ter instemming of verwondering.

De ontstaansgeschiedenis van het Surinaams Nederlands gaat terug tot de invoering, in 1876, van de leerplichtwet in Suriname. Het Nederlands werd hierdoor de schooltaal voor kinderen van geëmancipeerde slaven en van contractarbeiders uit Brits- en Nederlands-Indië. De slavenbevolking sprak Sranantongo, toen ook wel aangeduid als Negerengels, dat intussen voor alle etnische groepen de lingua franca is. De Hindoestanen en Javanen spraken Sarnami en Javaans. Ze pasten het Nederlands aan hun eigen taal, cultuur en behoeften aan. Ook in andere (ex-)kolonies vond zo’n nativization (‘autochtonisering’) van de taal van de kolonisator plaats.

Het Surinaams Nederlands is ook in de literatuur doorgedrongen. De in 2000 overleden schrijver Edgar Cairo, die het in zijn romans veelvuldig gebruikte, sprak van ‘gecreoliseerd’ Nederlands.

Surinaams Nederlands wijkt vooral af van het standaard Nederlands door de uitspraak en de woordenschat. Ook zijn er grammaticale verschillen.

Zo spreken Surinamers met een dikke letter w. Dat leidde in de jaren zeventig van de vorige eeuw nog tot grappen over Surinaamse immigranten die ‘oewee-oewee’ (WW) zouden komen incasseren. Kenmerkend is ook de korte ‘l’ aan het eind van een woord (met gekrulde tongpunt tegen het verhemelte), een invloed uit het Sranantongo. Interessant is ook de hypercorrectie. Zo laten Surinamers uit de lagere sociale klasse aan het eind van een woord vaak de t weg: het woord ‘stipt’ wordt dan ‘stip’. Om dit te corrigeren ontstonden vervolgens hypercorrecte vormen als ‘borstkast’ voor borstkas en ‘sult’ voor sul. „Wij leerden dat het fout was als je geen t zegt”, aldus De Bies.

In de woordenschat van het Surinaams Nederlands vinden we leenwoorden, bijvoorbeeld uit het Engels: plane voor vliegtuig of djoinen voor meedoen, in de jaren tachtig gebruikt door degenen die meededen aan de zogenoemde revolutie van couppleger Bouterse. Ook zijn er leenwoorden uit de inheemse talen, vooral het Sranantongo (zogenoemde ‘apporten'). Veelal omdat er een Nederlands equivalent ontbreekt, bijvoorbeeld voor moksâleysi (een rijstgerecht).

Er kan ook sprake zijn van codeswitching, waarbij het Surinaams Nederlands wordt doorspekt met Sranantongo. Wie in een Surinaams-Nederlandse zin het schertsende en kindertalige woord tanpokojantje hoort, weet uit het boek van De Bies dat het om een zittenblijver gaat.

Een deel van de lemma’s bestaat uit Nederlandse woorden, waarvan de betekenis niet altijd vanzelf spreekt. Zo zet een Nederlander koffie, waar een Surinamer van alles zet: Heb jij het boek op die tafel gezet? Zet uien in die komkommer. Het woord kan doen, leggen, plaatsen, laten plaatsen of stoppen betekenen. Of neem het woord ‘aanhouden’: een Surinaamse telefoniste kan tegen je zeggen ‘houdt u aan’, wat zoveel betekent als ‘wacht even, ik verbind u door’.

Het woord kasgeld klinkt Nederlands, maar is een leenvertaling uit het Sranantongo (kasmoni): kasgeld is een ‘informele, onderlinge spaarkas’, waarbij een kleine groep mensen periodiek een bedrag inlegt en het totaalbedrag beurtelings aan een van de deelnemers wordt uitgekeerd.

Een opvallende grammaticale afwijking is dat in het Surinaams Nederlands veel minder de passieve vorm wordt gebruikt (het Sranantongo kent het passief helemaal niet): ‘Ze verkopen het bij Kirpalani’ in plaats van ‘Het wordt bij Kirpalani verkocht’. Om een bezitsrelatie uit te drukken wordt vaak ‘van’ gebruikt: ‘Die auto van die oom van me’ in plaats van ‘Die auto van mijn oom’.

Volgens de Vlaamse hoogleraar lexicologie Willy Martin (VU Amsterdam), schrijver van het voorwoord en spreker bij de boekpresentatie in het Haagse Theater aan het Spui, bestaat het Nederlands in feite uit „drie gelijkwaardige varianten die zusterlijk en samen het Nederlands maken tot wat het is: de taal zoals die gesproken wordt in Nederland, Vlaanderen en Suriname.” Als het aan hem ligt komt er een Symmetrisch Woordenboek van het Nederlands, waarin die varianten naast elkaar worden gezet.
Logged
Pages: [1]   Go Up
  Reply  |  Print  
 
Jump to: